Tonen 5 resultaat en)
schrijven
Blog Schrijven

Mijn eerste opdracht voor de Schrijversacademie

Ik heb zojuist mijn eerste opdracht voor de Schrijversacademie ingeleverd. Beeld je een nagelbijtend persoon in… ja, dat ben ik nu. Natuurlijk wacht ik met schrijven tot vlak voor de deadline. Dat is mijn manier om de optimale focus te krijgen. Of het de optimale manier van werken is? Dat betwijfel ik. Wel ben ik een paar dagen geleden begonnen met het bedenken van het verhaal. Het betreft een kort verhaal, meer een scène wat in een verhaal zou passen. Driehonderd woorden. Een tafelscène. Thriller of romantiek. Van te voren werk je een en ander al uit. Waar het in deze opdracht om draait zijn de zintuiglijke beschrijvingen. En laat dat nou precies datgene zijn waar ik nog een boel over kan opsteken! Want wanneer ik schrijf zie ik alles letterlijk voor me. Ik ben heel beeldend ingesteld en de sfeer voel ik tot in mijn aderen (wat dramatisch, maar je begrijpt me). Het zit allemaal in mijn hoofd. En wanneer ik het op papier zet komt het niet altijd uit de verf. Dat wat ik rond en compleet in mijn hoofd heb zitten komt er tweedimensionaal uit. Dus wat dat betreft is het voor mij een perfecte opdracht!

Verschillende lagen

Een verhaal schrijven doe je in verschillende lagen. Je hebt de verhaallijn, de details van de omgeving, de woorden, de zinnen, de gevoelens. Maar dat alles is plat. Het is een platte ballon. Blaas je de ballon op, dan heb je er wat aan. En die lucht die je in die ballon blaast, dat zijn de zintuiglijke details. Die geven een verhaal leven. Wat zie je, wat hoor je, wat voel je, wat ruik je en wat proef je? Gek voorbeeld eigenlijk. Ik had ook over puzzelstukjes kunnen beginnen…Nou ja, je begrijpt me. Hoop ik.

Kinderschoenen

Ik kan leuke verhalen bedenken maar sta nog in de kinderschoenen van het hele schrijfproces. En het grappige is dat toen ik mij opgaf voor deze studie, ik dacht dat ik het allemaal wel wist. Jeetje wat had ik het bij het verkeerde eind! Want Susan Smit kan wel zeggen dat ik mooi kan schrijven tijdens een workshop, dit maakt me nog geen doorgewinterde schrijver. Schrijven is keihard werken en dat merk ik keer op keer weer. Want deze opdracht heb ik vele malen herschreven. Ook al zijn het maar 300 woorden.

Plat

En ook dit verhaal begon heel plat. Het was een verhaallijn en niet meer. Totdat ik mijn ogen sloot en voor me zag wat er met de hoofdpersoon gebeurde. Wat zag ze? Wat hoorde ze? Wat proefde ze? Ik voegde een emotie toe, vervolgens een smaakbeschrijving, een geluid, een geur. Wat voelde ze onder haar voet? Wat hield hij in zijn hand? En ga zo maar door. Plotseling stond daar ineens een complete scene op papier. Voor mij dan. Voor mijn gevoel staat het verhaal nu op papier zoals ik het in gedachte had. Maar de vraag is: wat vindt de docent? Nog twee nachten slapen en dat weet ik het. Doodeng, want ik wil mijzelf graag bewijzen. Laten zien dat ik echt wel kan schrijven. En het maakt me heel klein en nietig, want ik wil erg graag leren. En juist wanneer de docent de fouten eruit pikt leer ik ervan.

Veel schrijven

Ondanks de bijbehorende onzekerheden vind ik het heel gaaf dat ik mijn eerste opdracht zojuist heb ingeleverd. Het is bij mij vaak de vraag of ik wel inspiratie krijg om te schrijven. Vaak genoeg staar ik naar een leeg vel papier en krijg ik er geen woord op geschreven. Net als met schrijfwedstrijden. Je krijgt een onderwerp toegewezen en dan hoop je maar dat je er iets mee kunt. De druk is hoog want je wilt immers presteren.

Maar het is gelukt. De opdrachten ‘dwingen’ me te schrijven, ‘dwingen’ me inspiratie op te roepen en ‘dwingen’ me iets te doen met de woorden die ik beetje bij beetje op papier zet. De druk is er nog steeds, maar met de wetenschap dat ik er van leer. Dat ieder woord dat ik schrijf en iedere opdracht die ik inlever mijn manier van schrijven verbetert. Deze stok achter de deur had ik even nodig. Ik merk namelijk nu al dat het schrijven me steeds makkelijker af gaat. Natuurlijk zijn er avonden dat ik de woorden er uit moet trekken. Maar ik wacht niet meer op de inspiratie. Inspiratie krijg je niet. Daar draait het helemaal niet om. Net als met sport, een instrument bespelen, een verdomd goede advocaat worden of een perfect muurtje kunnen metselen, je wordt er pas goed in als je oefent en ervaring opdoet. En ik kan niet wachten tot ik vanavond weer achter mijn bureau mag kruipen om die ervaring op te doen!

Korte Verhalen Schrijven

Kort verhaal: EEN DAG ZON IN EEN MAAND VOL REGEN

Alles wat ik deed schepte afstand. Iedere keer probeerde ik iets te doen om de situatie te verbeteren. Maar het besef werd steeds groter, het besef dat het geen situatie meer was, het was een slagveld geworden. En ik kon er niets aan doen. Ik kon mezelf niet veranderen. Dit was ik, zo was ik al jaren, misschien zelfs zo geboren. En ik wist ook niet beter. Die dag dat mijn moeder haar biezen pakte en mijn vader verliet, was voor mij de dag dat de liefde werd gedefinieerd. Liefde is verlaten. Een simpele formule. Liefde is afstand scheppen.

Totaal onvoorbereid was ik, die ene avond in een Amsterdamse studentenkroeg in 2003. Ik werd meegesleurd door vrienden die op zoek waren naar ‘een makkelijke vangst’. Ik was er totaal niet op voorbereid dat ik haar tegen het lijf zou lopen. Zij bleek geen makkelijke vangst. In tegendeel. Voor mij was zij het meest ingewikkelde boek dat ik ooit te lezen kreeg. Want dat was ze: een boek vol sprookjes, donkere thrillers, lichte romantiek, zware literatuur en lichtvoetige komedie. Het kostte me na die avond ruim twee weken voordat ik haar durfde te bellen. Ik moest eerst voor mezelf uitzoeken wat ze met me deed. Of ik haar van me af kon zetten. Nee dat kon ik niet. Ze verliet geen moment mijn hoofd en lijf. Ik moest haar bellen. Ik kende dat gevoel niet. Dat iemand in iedere cel van mij zat. Liefde is immers verlaten. De enige formule die ik kende.

Vanaf dat telefoontje op een warme lenteavond in mei zaten we in een achtbaan. Het was liefde, voor ons allebei. Mijn vergelijking ‘liefde is verlaten’ kreeg er een variabel bij, namelijk ‘geven’. Die formule bleek echter niet te kloppen. Wat ik ook probeerde, wat zij ook probeerde, wat er ook mis ging, wat er ook goed ging, hoeveel pijn ik haar ook deed, hoeveel deze relatie ook gedoemd was te mislukken, we kwamen altijd weer bij elkaar terug en gingen ook steeds weer uit elkaar. Zij gaf mij alles, ze vocht als een leeuw voor me. Ik gaf haar niks. Kortsluiting. En toch, iets hield ons bij elkaar, al was het soms zo dun als een zijden draadje. Dat ‘iets’ voelde als een glinstering, een niet te verbreken band, een onzichtbaar lint wat ons samen hield. Een dag wapenstilstand op het slagveld. Als we bij elkaar waren was alles goed. Een dag zon in een maand vol regen.

Het was een vrijdagavond, de eerste avond sinds drie weken dat we elkaar weer zagen. Een frequentie die overigens heel normaal was in onze affaire. Geheel mijn initiatief. Ik liet me, al dan niet expres, opslokken dor mijn werk. Maar die avond besloot ik het tij te keren. Dit moest anders. Ik wilde haar niet kwijt.
Bij het openen van de deur durfde ik haar niet te zoenen, eigenlijk durfde ik haar gewoon niet aan te kijken. Ik schaamde me. Ik schaamde me voor mijn lompheid in deze relatie. Ze kreeg niets cadeau in deze relatie. Terecht negeerde ze me bij binnenkomst. Terwijl ik in de deuropening stond met mijn hand nog op de deurklink hoorde ik haar achter me met een oorverdovende stilte op de bank ploffen. Ik wilde haar kussen.

Maar niet voordat ze me een uitbrander had gegeven. Eentje die ik al weken voelde aankomen. En hij was terecht. Met rechte rug en blik op strijdlustig stak ze van wal. Alles wat ze zei was waar. Dat ik een lul was, dat ik niet altijd maar die touwtjes in handen moest nemen. Dat ik moest ophouden met haar te negeren. Dat ze me nodig had, dat ze van me hield, dat ze in ons geloofde, maar dat dit niet zo kon doorgaan. Een welverdiende reprimande die ik besloot te belonen met een tegenprestatie. Eentje die ze niet zag aankomen.
Toen ze uitgeraasd was, schonk ik haar een glas wijn in, schoof het glas haar kant uit en ging voorzichtig naast haar zitten. Onhandig sloeg ik mijn arm om haar heen en trok haar naar me toe. Ik voelde dat elke vezel in haar lijf verrast werd. Mijn ‘liefje’ voelde weer als mijn ‘liefje’. Ze genoot van mijn warme omsluiting. Ze ging er in op en probeerde zoveel mogelijk liefde van mij te voelen. Voorzichtig liet ik haar los en we namen een slok wijn. Ze keek me met een schuin oog aan. Ze was nog boos en tegelijkertijd zag ik de boosheid langzaam wegebben, ze verzachte. Ik stond op, liep naar de schouw en pakte een doosje dat ik daar die ochtend had klaargezet. Ik ging niet op mijn knieën want zo’n doosje was het niet.

Op mijn onhandige manier vol onvermogen enige vorm van empathie te tonen gaf ik haar het doosje met enkel de woorden: ‘Hier. Voor jou.’

Ze opende het doosje en trof er mijn huissleutel in aan. Haar ogen schoten vol. Ik denk niet dat ik haar meer had kunnen verrassen of op een betere manier mijn excuses had kunnen aanbieden of überhaupt mijn liefde had kunnen verklaren. Ze bleef maar naar die sleutel staren en vroeg steeds of ik dit echt meende. En ik bleef maar ja knikken. Voor ons beiden was dit een bevestiging. Ik had mijn deur letterlijk opengezet voor haar en zij kon vanaf nu altijd naar binnen. Letterlijk en figuurlijk. De formule had ik aangepast. Liefde is geven.


Geschreven door Jessica van der Liende// Gepubliceerd in de korte verhalenbundel ‘Het Cadeau’,  2016

Korte Verhalen Schrijven

Terug naar Parijs

‘Mam, daar ben je echt te oud voor!’

Ze zei het heel venijnig. Ze bedoelde het vast niet zo, maar het stak als een vlijmscherp mes.

Ik kon ook niet anders dan venijnig reageren.

‘Wat een vertrouwen, bedankt.’

Nina’s gezicht verschoot van oprechte verontwaardiging naar oprecht schuldbewust.

‘Sorry mam. Dat bedoelde ik niet zo. Het spijt me.’

‘Het is al goed. Zet maar even een kopje thee, ik kom zo naar beneden.’

Schoorvoetend liep mijn dochter de trap af. Ik hoorde aan haar tred dat ze zich heel ongemakkelijk voelde. En dat beet. Maar haar reactie beet mij ook. Want ik ben niet te oud. En ik denk ook niet dat ze dat echt bedoelde. Want een vrouw is op haar vierenzeventigste niet te oud om naar Parijs te willen vertrekken. En dat vind ik echt. Een vrouw is op haar vierenzeventigste niet te oud om een droom te willen verwezenlijken. 

Ik wil dit al zo lang. Ik ben helemaal alleen. Mijn man is er niet meer. Mijn zoon woont in Zuid-Afrika en belt trouw op mijn verjaardag. Maar hij is al ruim drie jaar niet meer in Nederland geweest. Ik heb hem zes keer bezocht in de vijf jaar dat hij daar woont. En hij is twee keer in vijf jaar tijd in Nederland geweest. Eén keer voor de begrafenis van zijn vader en één keer voor de bruiloft van zijn zus. Zo hecht als we waren toen hij een klein jongetje was zijn we al heel lang niet meer. 

En dan is daar zijn zus. Nina is getrouwd en heeft geen kinderen. Die wil ze ook niet. Ze behoort tot één van de beste advocaten van dit kleine land. Werkt dag en nacht en neemt alles heel serieus. Behalve haar moeder. Haar moeder die jarenlang dag in, dag uit, klaar stond voor de kinderen en die nu vindt dat haar tijd is aangebroken. 

Vijf minuten voordat ik Nina vertelde van mijn Parijse plannen, kreeg ik een telefoontje van de Franse makelaar: mijn appartement is gereed. Ik kan er volgende maand in. Een heus Parijs appartement, in Montmartre, compleet met riante deuren, Frans balkon, krakende visgraat parketvloer en hoge sierlijke plafonds. En wat ik daar wil gaan doen? Mijn boek schrijven, weer Frans spreken, mijn jeugd herbeleven en mijn oude overgebleven Parijse vriendinnen ontmoeten zoals we dat vroeger deden. We zijn nu alle drie weduwe. Zij wonen nog in Parijs en ik kom terug.

Sinds mijn huwelijk woon ik in Haarlem. Bert en ik ontmoetten elkaar tijdens één van mijn vakanties in Bloemendaal. We botsten in 1961 op het strand tegen elkaar aan. Hij in zijn zwembroek, ik in mijn zomerse jurk. En sinds die dag waren we onafscheidelijk. Brieven gingen over en weer tussen Parijs waar ik destijds woonde met mijn ouders, en Bloemendaal waar Bert woonde. Zijn Frans was génial. In 1963 trouwden we en kochten ons huis in Haarlem. Sinds 1963 mis ik Parijs. 

‘Mam, de thee is klaar!’ klonk er van onderaan de trap.

‘Oui j’arrive!’ riep ik met schorre stem.

Wriemelend aan mijn trouwring nam ik plaats aan mijn keukentafel.

‘Ik vind het eigenlijk wel stoer, mama.’

Nina schoof de doos met theezakjes mijn kant op en pakte daarna mijn hand.

‘Volgende maand he, zei je? Ik zorg dat ik dan vrij ben. Iemand moet de logeerkamer inrichten.’

———-

** Dit verhaal schreef ik voor Libelle’s schrijfwedstrijd 2018. Mijn verhaal heeft helaas niet gewonnen. Maar uiteraard hoort het wel hier thuis, op Mevrouw Tekst!