Dag 2- Rook hing zo dik in de dakspanten van de bibliotheek dat ze er woorden in kon lezen

De vloer onder haar kraakt met iedere beweging. Of ze nu haar schouder optrekt of haar arm verlegd, het hout zucht met haar mee. De kou onder haar trekt op naar haar buik alsof het langzaam zijn armen om haar heen wil slaan.

‘Lig je lekker?’

Simon staat bij haar hoofd en kijkt haar vermoeid aan. Hij is wel wat gewend van Roos. 

‘Ga toch weg.’

Simon schudt zijn hoofd en vanuit haar positie ziet dat eruit als een gordijn van haren dat heen en weer wuift boven haar hoofd. 

‘Moet jij niet eens naar de kapper, Simone?’

Haar broer duwt met zijn voet tegen haar schouder.

‘Au! Rotzak.’

‘Ik heet geen SimonE.’

Roos heeft spijt van haar opmerking. Haar broer is trots op zijn lange haren en zijn, sinds kort, aangemeten uiterlijk van een rockster met zijn leren jas, scheuren in zijn broeken en grote ringen aan bijna iedere vinger. Stoeien is bijna niet meer mogelijk en heel pijnlijk. Haar gekke broertje. Ze schelen bijna drie jaar. 

‘Sorry’, zegt ze met een schorre stem.

‘Ga jij nu maar je boek afschrijven, of dromen of wat je hier dan ook doet.’

Roos spant haar buikspieren aan en heft zichzelf rechtop. Even duizelt het om haar heen. Ze is te snel omhoog gekomen. 

‘Ik loop vast. Ik loop vast op één zin en ik weet gewoon niet hoe ik nu verder moet gaan.’

Simon zakt door zijn knieën en komt bij haar zitten.

‘Godver wat is die vloer koud. Waarom heb je dat kleed opgerold?’ Hij knikt richting de lange rol Perzisch tapijt achter zijn zus.

‘Ik houd van deze oude vloer.’ Roos wrijft met haar hand over de driehonderd jaar oude planken. Ze houdt van de textuur van de planken met hun kleine knoesten, grove lijnen en dikke glanzende laklaag. Ze is gefascineerd door de kieren tussen de planken die nergens hetzelfde lijken te zijn en wie hier ooit over deze planken heeft gelopen.

‘Jij houdt van alles in deze ruïne.’ Simon haalt zijn neus op en kijkt vies om zich heen.

Roos geeft hem een duwtje.

‘Het is geen ruïne, het is gewoon een heel oud huis. Ben jij niet benieuwd wie hier hebben gewoond? Misschien is hier wel iemand…doodgegaan.’

Ze trekt haar wenkbrauwen omhoog maar krijgt geen reactie van haar broer. Simon op zijn beurt is op zijn hurken gaan zitten en leunt met een hand op de vloer. Hij kijkt haar afwachtend aan.

‘Dus…je loopt vast?’

‘Rook hing zo dik in de dakspanten van de bibliotheek dat ze er woorden in kon lezen.’

‘Dat is de zin?’

Roos knikt.

Simon herhaalt de zin en kijkt omhoog naar de dakspanten van de bibliotheek waarin ze zitten. Mahoniehouten kasten vol boeken reiken tot de nok. Een simpele ladder leunt tegen één van de kasten, over de middelste trede hangt een boek.

‘Ze moest hier weg. Het was te gevaarlijk. De geur van verbrand hout prikte in haar neus en gaf haar een kriebel achterin haar keel. Als ze hier langer bleef zou ze stikken.’

Simon kijkt trots en geeft zichzelf een schouderklopje. Maar Roos is niet onder de indruk.

‘Je neemt het zo letterlijk. Misschien gaat het wel niet over brand of vuur. Misschien is het een metafoor?’

‘Komt ze weer met haar metaforen. Soms is rook gewoon rook. En waar rook is…’

Dan schiet ze in de lach. Tranen prikken in haar ooghoeken en ze laat zich naar achteren vallen. Als een klein kind rolt ze van links naar rechts. Ze kan niet stoppen met lachen.

‘Wat?’ Simon kijkt haar vragend aan.

‘Wat, Roos?’ Ook zijn stem verraadt een opkomende lach.

Roos komt weer overeind en veegt de tranen weg. Ze lacht nog steeds.

‘Jij! Jij, Simon Alexander. Je bent briljant.’

Simon staat op. Hij veegt het stof van zijn broek en wil zich omdraaien.

‘Nou goed, succes met je verhaal. Ik kan je niet meer volgen.’

Roos springt op en grijpt zijn arm.

‘Nee serieus. Ik denk dat ik weet hoe ik verder moet. Blijf nog even?’

Haar broer twijfelt. 

‘Ik ga niet weer op die ijskoude vloer zitten plotten met jou.’

Roos wijst naar de twee leren fauteuils bij het raam. 

‘Jij en ik gaan dit verhaal afmaken. Net als vroeger.’

Simon glimlacht. Net als vroeger inderdaad. In de tuin van hun oom bij het kampvuur waar de rook soms zo dik naar boven klom dat je er woorden in kon lezen. Woorden waar Roos en hij zinnen van probeerden te maken.

‘Oké, ik heb wel een idee.’

Je houd misschien ook van..

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.