Kort verhaal: Scherven verdriet

Het geluid van de branding versterkt en neemt af. Vloeiend als Debussy’s Sonate pour violoncelle et piano. Ik open mijn ogen en laat het repetitieve geluid op me inwerken. Een glooiend landschap met daarachter een onrustige zee strekt zich voor me uit.

Ik draai me om. Een streepje zon verlicht één octaaf op de toetsen, vijf maten Beethoven op de bladmuziek lichten op. Een glinstering. Zijn horloge op de lessenaar. Iedere dag na zijn werk legde hij zijn horloge op de lessenaar. En ook hier geef ik hem zijn plekje.

Instinctief kijk ik naar buiten. De vette spek met eieren en slappe koffie zitten me dwars en ik moet de golven van dichtbij zien.

Ik kus mijn tante gedag en negeer daarbij haar bezorgde blik. In haar oude Barbourjas trek ik de mintgroene deur achter me dicht. De vrolijk gekleurde voordeuren in de straat ontgaan me niet, maar opvrolijken doen ze ook zeker niet.

De steentjes op het strand knerpen onder mijn laarzen. Mijn longen vullen zich met de koude zeelucht. De onrust in mijn maag laat zich even temmen.

Ik ben niet alleen op het strand. Tien meter verderop staat een man met plastic tasjes en een schepnet naast hem op de grond. Hij heeft mij ook gezien en wenkt me. Wanneer ik naar hem toe loop en in zijn vermoeide, diepliggende maar nog steeds helderblauwe ogen kijk weet ik het: Sam. Mijn oma’s oude tuinman.

‘Lieve Amelie, wat fijn jou weer te zien.’ Sam pakt mijn handen en knijpt er even in.

‘Hallo Sam. Dat is lang geleden.’

‘Ben je op bezoek bij Leary?’

‘Ik logeer een tijdje bij haar.’

‘Alleen?’

Ik trek mijn handen terug en stop ze in mijn jaszakken. Mijn vingers spelen onwillekeurig en ongewenst een etude op de gerafelde stof. De spieren in mijn keel spannen zich samen.

‘Och dear. Wat is er?’

‘Nee Sam. Rupert is….’

Een groep meeuwen scheert met veel lawaai over het water richting de winkels.

‘Rupert is?’

‘Rupert heeft een ongeluk gehad. Hij…hij is overleden. Vandaag precies een maand geleden.’

‘Wat vreselijk, het spijt me.’ Sam’s blik wendt zich tot het water. ‘Leary heeft me niets verteld.’

‘Ik heb haar gevraagd het stil te houden.’

Sam knikt en ik schop wat steentjes voor me uit.

‘Meisje toch. Rupert was een geweldige kerel.’

Sam slaat zijn arm om me heen en drukt mij stevig tegen hem aan. Zo staan we een poosje.

Uit zijn jaszak haalt Sam een schelp. ‘Kijk wat ik vond tussen deze stenen. Alsof iemand hem heeft neergelegd.’

Ik bekijk de schelp. Ze is stralend wit. Afgebrokkeld aan één kant, perfect rond aan de andere. Thuis hebben we een tafeltje vol schelpen. Rupert was altijd op zoek naar de gehavende exemplaren. Precies zoals deze.

‘Je mag haar wel houden.’

‘Dank je.’

‘Speel je nog zo mooi piano, Amélie?’

‘Niet meer sinds het ongeluk.’

Ik stop de schelp in mijn jaszak en bedank Sam. Mijn armen en benen voelen zwaar en ik verlang naar mijn bed.

Ik leg de schelp op de piano. Het is een mooi stilleven zo. Mijn hand reikt naar het versleten hout van de bovenklep. De verweerde plekken voelen ruw aan en ik wrijf er zachtjes overheen. Net zo lang tot het zachte hout verandert in kleine splinters. Ik laat mijn hand zakken naar de toetsen. Oude ivoren toetsen, de beste toetsen.

Door het open raam hoor ik de branding. De zilte koude lucht aait over mijn wang. Ik zou hier voor altijd willen blijven. De lucht, dit geluid, het uitzicht. Een droom vergeleken met wat ik straks weer ‘thuis’ mag noemen. Ons thuis dat nu voelt als een vijandige plek.

Mijn gedachten dwalen af naar toen, naar hem. Zijn warme lach, de kleine tattoo van een zeemeermin op zijn enkel, zijn lange dunne vingers, zijn warrige donkere haren en zijn gouden ronde brilletje. Alles aan hem ademde liefde voor de zee, literatuur en muziek. En alles aan hem was genoeg voor mij.

Rupert liet me altijd rustig wakker worden. De geur van verse koffie drong beetje bij beetje de slaapkamer binnen. Het ochtendlicht kreeg de kans voorzichtig door de kieren van de gordijnen heen te schijnen. Langzaam ontwaakte ik, stapte uit bed, trok een van Ruperts wollen truien aan om vervolgens achter de piano etudes te studeren. Alleen dan begon mijn dag goed en dat wist Rupert. Hij wist het allemaal. En nu weet niemand het meer. Nu moet ik op eigen kracht de dagen beginnen. En zonder piano. Die staat op Marktplaats. Zonder zijn luisterende oor, zijn one-man applaus, zijn bemoedigende woorden en zonder zijn gezicht tussen het publiek hoeft dit niet meer van mij.

Ik pak de schelp weer van de piano en houd haar tegen mijn oor. Ik geloof niet in het horen van de zee in zo’n schelp. Ik geloof sowieso niet in dat soort magie. Rupert deed dat wel. Weer hoor ik alleen maar geruis en in niets lijkt het op de branding die onder mijn raam de rotsen trotseert.

Ik realiseer me dat ik de schelp als symbool begin te zien voor Rupert. Misschien was dat ook Sams opzet. Een stukje Rupert mee naar huis.

Net wanneer ik de schelp omhooghoud om haar wat beter te kunnen bekijken slaat het raam dicht. Ik schrik en de schelp valt uit mijn handen. Ze ketst op de toetsen van de piano en valt vervolgens in drie stukken onder de pianokruk. Het breken van de schelp klinkt als het breken van een porseleinen kopje.

Even kijk ik ernaar. Dan raap ik de scherven op en leg ze op de lessenaar, naast Ruperts horloge. Ik wil er om huilen maar de tranen komen niet. Het stukje Rupert ligt in drie ongelijke stukken voor me. En de tranen weigeren te stromen. Ik weet waarom. Ik weet precies waarom.

Het deuntje dat al dagen in mijn hoofd rondzingt dringt zich weer aan me op. Het is een wijsje wat Ruperts oma voor hem zong bij het slapengaan. Samen hebben we er twee jaar geleden een sonatine omheen geschreven.

Ik ga zitten op de oude kruk. Hij kraakt onder mijn gewicht. Ik wiebel wat heen en weer totdat ik lekker zit en leg mijn vingers op het klavier. Draperen. Je moet je vingers draperen over de toetsen, Amelie. zegt mijn pianojuf altijd. Ik drapeer ze niet. Ze rusten nu op de toetsen. Even kijk ik opzij door het open raam naar de zee. Ze lijkt gekalmeerd.

Langzaam druk ik de C is. Gevolgd door een E en een G. Nog eens. De piano klinkt wat vals maar het geluid maakt me gelukkig. Nog eens, dezelfde noten, maar dan vloeiender. In iedere herhaling van het loopje zit ruimte. Ruimte voor mij om te ademen. Ik ga door met de volgende paar maten van het wijsje. De melodie zit nu in mijn lijf en ik laat het via mijn vingers vloeien. Terwijl het verdriet stroomt via de melodie, voel ik een lach op mijn lippen.

 

*Geschreven door Jessica van der Liende //oktober 2019

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

*
*

  • Jessica Ineke

    Wat leuk dat je me hebt gevonden. Op mijn website plaats ik korte verhalen en kleine stukjes van het boek dat ik momenteel aan het schrijven ben!

  • Volg mijn schrijfavontuur in vierkantjes!
  • Winnaar Schrijfwedstrijd ‘Het cadeau’